
Het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) heeft in de zaak tussen de Spaanse voetbalclub Real Madrid en het Franse dagblad Le Monde een mooi arrest gewezen waarmee (Nederlandse) media zich kunnen verweren tegen de tenuitvoerlegging van vonnissen uit andere landen.
Eerder dit jaar schreven wij over de conclusie van A-G Szpunar in deze zaak. Aanleiding voor het geschil tussen Real Madrid en Société Éditrice du Monde, het bedrijf achter het Franse dagblad Le Monde, was een artikel van Le Monde uit 2006 waarin Real Madrid werd beschuldigd van samenwerken met de Spaanse dopingarts Fuentès. Real Madrid spande hierop een zaak aan. Spaanse rechters oordeelden in meerdere instanties dat het artikel lasterlijk en schadelijk was, en veroordeelden zowel Société Éditrice du Monde als de journalist die het artikel schreef tot betaling van hoge schadevergoedingen (respectievelijk EUR 390.000 en EUR 33.000).
Bij de tenuitvoerlegging van de Spaanse vonnissen in Frankrijk liep het echter spaak voor Real Madrid. De Franse rechter achtte de vonnissen in strijd met de Franse internationale openbare orde, en weigerde tenuitvoerlegging. De zaak ging naar de hoogste Franse rechter, die vervolgens prejudiciële vragen aan het HvJ EU stelde. Centraal stond de vraag of een rechter de tenuitvoerlegging van een vonnis uit een andere lidstaat mag weigeren wegens een schending van de vrijheid van meningsuiting. A-G Szpunar beantwoordde deze vraag positief, en wordt daar nu dus in gevolgd door het HvJ EU.
In het arrest benadrukt het Hof allereerst dat slechts in uitzonderlijke gevallen afgeweken kan worden van het ‘principle of mutual trust’, dat inhoudt dat lidstaten er vanuit dienen te gaan dat grondrechten in een andere lidstaat worden nageleefd. Hieruit volgt onder meer dat een lidstaat geen hogere beschermingsnorm kan hanteren dan EU-wetgeving vereist. Slechts wanneer de tenuitvoerlegging van een vonnis uit een andere lidstaat zou leiden tot een kennelijke schending van een grondrecht, moet de tenuitvoerlegging van dat vonnis geweigerd worden (r.o. 42-44).
Vervolgens gaat het Hof in op het belang van vrijheid van meningsuiting en persvrijheid in een democratische samenleving. Benadrukt wordt dat media de plicht hebben om – met inachtneming van de reputatie en rechten van anderen en in overeenstemming met hun verantwoordelijkheden – informatie en ideeën over zaken van publiek belang te verspreiden. Aan deze rol van media als publieke waakhond moet volgens het Hof veel belang worden toegekend bij de beoordeling of inmenging in de persvrijheid een legitiem doel dient (r.o. 55). Onder verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM overweegt het Hof dat wanneer het gaat om sancties die media kunnen afschrikken om in de toekomst over vergelijkbare onderwerpen van publiek belang te berichten, er bijzondere voorzichtig te werk moet worden gegaan (r.o. 60 en 61).
Het Hof stelt vast dat toekenning van schadevergoedingen die niet voorzienbaar waren of aanzienlijk hoger zijn dan in vergelijkbare smaadzaken een afschrikwekkende werking kunnen hebben (r.o. 62). Dit is al helemaal zo wanneer de schadevergoeding hoger is dan de daadwerkelijk door de benadeelde partij geleden materiële of immateriële schade (r.o. 63).
Concluderend oordeelt het Hof dat de tenuitvoerlegging van een vonnis waarin een dagbladuitgever en een journalist worden veroordeeld tot betaling van een hoge schadevergoeding moet worden geweigerd indien de tenuitvoerlegging zou leiden tot een kennelijke schending van de persvrijheid. Hoewel in de praktijk niet altijd evident zal zijn wanneer sprake is van een dergelijke situatie, biedt het arrest duidelijke handvatten voor de toekomst, en kan het door media gebruikt worden als verweer in geschillen over tenuitvoerlegging.

