Twee journalisten en een groep actievoerders worden, onderweg naar een Extinction Rebellion protest, in oktober 2021 aangehouden door de politie. Ze worden verdacht van voorbereidingshandelingen van het versperren van een weg met gevaar voor verkeersveiligheid. Journalist 1 toont de politie zijn officiële persherkenningstekens bestaande uit een rellenkaart, die om de nek gedragen wordt, en een perslegitimatiebewijs (de rellenkaart en het perslegitimatiebewijs gezamenlijk, de politieperskaart) en zijn ID. Journalist 2 kon slechts een zelfgemaakt visitekaartje laten zien waarop stond dat hij journalist was. Het mocht voor beiden niet baten. De hele groep wordt aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Ook worden de camera’s en telefoons van de journalisten in beslag genomen. Op het politiebureau aangekomen worden beide journalisten direct vrijgelaten nadat de politie, naar eigen zeggen, heeft geverifieerd dat zij journalist zijn.
Journalist 1 vordert bij de kantonrechter een verklaring voor recht dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld. Ook wil journalist 1 een rectificatie van enkele berichten die door de politie gepubliceerd zijn over de aanhouding. Ook vordert journalist 1 een schadevergoeding. Zijn argumenten:
- Er was geen grondslag voor de politieacties nu journalist 1 in redelijkheid niet meer verdacht kon worden van het strafbare feit na het tonen van zijn officiële (pers)documenten.
- Er is sprake van een ontoelaatbare inbreuk op artikel 10 EVRM. Door de politieacties was journalist 1 niet in staat de aanhouding van de actievoerders vast te leggen en hierover te berichten.
Journalist 2 voelde aan dat hij met zijn zelfgemaakte visitekaartje een minder sterke positie had en hield zich buiten de procedure. De kantonrechter vindt dat ook journalist 1 geen punt heeft en wijst al zijn vorderingen af.
Maar in hoger beroep wordt het vonnis van de kantonrechter vernietigd en worden bijna alle vorderingen alsnog toegewezen.
Onrechtmatig handelen
Het Hof oordeelt dat er na het tonen van de officiële (pers)documenten van journalist 1 geen redelijke verdenking van het strafbare feit meer kon bestaan. De initiële aanhouding was wel gerechtvaardigd, maar het meebrengen naar het politiebureau en de inbeslagname van de camera en telefoon niet. Volgens het Hof was er geen reden om te twijfelen aan de hoedanigheid van journalist 1: hij had twee camera’s bij zich; hij had medegedeeld journalist te zijn; en hij had zijn officiële (pers)documenten laten zien. Daarbij wordt benadrukt dat de politieperskaart en rellenkaart officiële door de Politie en Staat erkende herkenningstekens voor journalisten zijn. Uitgangspunt is dan ook dat nadere verificatie als journalist niet nodig zou moeten zijn als deze zijn officiële documenten kan laten zien én zich kan identificeren, tenzij daar voldoende concrete aanknopingspunten voor zijn. Dat was hier niet het geval.
Het Hof concludeert dat de handelwijze van de politie in strijd is met artikel 10 EVRM. Hoewel duidelijk was dat journalist 1 geen foto’s meer kon maken van het Extinction Rebellion protest – door de aanhouding heeft dit protest niet plaatsgevonden – had journalist 1 nog wél fotoverslag kunnen doen van het handelen van de politie en actievoerders bij de aanhouding. Dat het journalist 1 onmogelijk werd gemaakt hier verslag van te doen is een inperking van zijn persvrijheid. Deze inperking is niet geoorloofd, want er was geen wettelijke grondslag voor het handelen van de politie. Het Hof voegt toe dat ook aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit niet is voldaan. De politie had de inperking van persvrijheid kunnen beperken door direct, of in ieder geval sneller, de verificatie van de hoedanigheid van journalist 1 te controleren vóórdat de journalisten naar het politiebureau werden overgebracht.
Rectificatie
Het Hof wijst de rectificatie af omdat de berichten niet onjuist of misleidend zijn. Ook wordt de naam van journalist 1 niet in de berichten genoemd en ziet bepaalde bewoording op journalist 2 in plaats van journalist 1. In een ander bericht wordt alleen een mening gegeven, wat ook dit bericht niet onrechtmatig maakt.
Schadevergoeding
Journalist 1 heeft volgens het Hof voldoende aannemelijk gemaakt dat hij door de politieacties een opdracht is misgelopen. Ook heeft journalist 1 geen foto’s van het hele gebeuren kunnen maken en is hij daardoor inkomsten misgelopen. Een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt dan ook toegewezen. Vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen. Journalist 1 is niet in zijn eer of goede naam geschaad omdat hij niet met naam in de berichtgeving wordt genoemd. Daarbij komt dat journalist 1 niet heeft aangetoond dat er sprake is van geestelijk letsel of dat hij gevolgen ervaart door de bijzonder ernst van de normschending.

