De Londense High Court rekende op 1 april 2026 af met de ingetrokken smaadvordering tegen de Britse straatkunstenaar Banksy. Volgens de rechtbank werd die procedure niet zozeer gevoerd om reputatieschade te herstellen. Het doel was vooral om Banksy onder druk te zetten met het risico dat zijn identiteit bekend zou worden, zodat hij alsnog toestemming zou geven voor commercieel gebruik van zijn werk.
Aanleiding voor de procedure was een kledingcollectie van GUESS met afbeeldingen van Banksy’s graffiti, zonder dat hij daarvoor toestemming had gegeven. Banksy had op Instagram naar het merk uitgehaald: “Attention all shoplifters. Please go to GUESS on Regent Street. They’ve helped themselves to my artwork without asking, how can it be wrong for you to do the same to their clothes?” GUESS bleef de kleding echter verkopen en beriep zich op een licentie van Brandalised. Dat bedrijf stelde vervolgens dat Banksy met zijn post ten onrechte suggereerde dat het zijn werk zonder toestemming had gelicentieerd en begon daarop een smaadzaak.
Aan deze procedure ging een langdurig conflict over de commerciële exploitatie van Banksy’s werk vooraf. Banksy verzette zich daar principieel tegen en verleende geen licenties. Brandalised gebruikte zijn werken intussen wel. Zij stelde dat het foto’s van zijn graffiti mocht licentiëren, omdat op die foto’s volgens haar een zelfstandig auteursrecht rustte dat losstond van het auteursrecht op de graffitiwerken zelf. Tegelijk wist Brandalised dat Banksy het commercieel gebruik van zijn kunst als inbreuk op zijn auteursrechten zag, maar daar niet tegen procedeerde uit angst daardoor zijn anonimiteit te verliezen. Ook in de smaadzaak gebruikte Brandalised Banksy’s anonimiteit als drukmiddel. Toen de rechtbank besloot dat Banksy anoniem kon blijven, probeerde Brandalised alsnog een commerciële deal te sluiten. Toen ook dat mislukte, trok het de smaadvordering in.
Na de intrekking draaide de zaak alleen nog om Banksy’s verzoek om vergoeding van zijn proceskosten. Die kreeg hij in beginsel al vergoed, maar volgens Banksy was sprake van misbruik van procesrecht. Daarom vroeg hij om toewijzing van de proceskosten op indemnity basis. Dat is een ruimere maatstaf waarbij twijfel over de redelijkheid van de kosten in zijn voordeel uitvalt. Ook verzocht hij om een persoonlijke kostenveroordeling van bestuurder Andrew Gallagher.
De rechtbank oordeelde dat Brandalised Banksy’s proceskosten op indemnity basis moest vergoeden. Volgens de rechtbank had de smaadvordering vanaf het begin geen reëel uitzicht op succes, omdat de post waarschijnlijk als een toelaatbaar waardeoordeel kon worden verdedigd. Tegen die achtergrond leek de procedure niet zozeer op een serieuze poging tot eerherstel, maar vooral op een middel om Banksy’s wens om anoniem te blijven doelbewust onder druk te zetten en zo alsnog toestemming te krijgen voor de commerciële exploitatie van zijn werk. Een persoonlijke kostenveroordeling van Gallagher wees de rechtbank af: dat hij de procedure aanstuurde en bewust druk uitoefende, vond zij daarvoor onvoldoende.
Hoewel Reuters onlangs stelde Banksy’s identiteit te hebben achterhaald, blijft hij voor het recht voorlopig nog the artist known as “Banksy”.

