
Op 25 april 2025 oordeelde de rechtbank Den Haag in een door brancheorganisatie ANVR en reisorganisatie TUI aangespannen kort geding over de vraag of de gemeente Den Haag bevoegd was om fossiele reclame te verbieden in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Het reclameverbod werd in een kort geding aangevochten door brancheorganisatie ANVR en reisorganisatie TUI. D-Reizen en Prijsvrij.nl voegden zich in de procedure aan de zijde van ANVR en TUI. Campagnegroep Reclame Fossielvrij voegde zich aan de zijde van de gemeente Den Haag.
Wat ging er aan dit kort geding vooraf? Fossiele reclame is per 1 januari 2025 verboden in de openbare ruimte van de gemeente Den Haag. Dit verbod houdt kort gezegd in dat geen aanprijzingen mogen worden gedaan voor bepaalde fossiele producten. In de APV (artikel 1:1 sub x) is te vinden op welke producten het verbod ziet: zo geldt het verbod onder meer voor vliegreizen, cruisevakanties, benzineauto’s en fossiele energiecontracten. De gemeente Den Haag had kenbaar gemaakt het verbod vanaf 1 mei 2025 te zullen handhaven.
Vorderingen reis(branche)organisaties afgewezen
De ANVR en TUI voeren verschillende argumenten aan waarom het besluit van de gemeente huns inziens niet door de beugel kan. Zo stellen zij dat het reclameverbod onder meer in strijd is met de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van ondernemerschap. Ook zou het lokale reclameverbod onvoldoende bijdragen aan het terugdringen van de negatieve gevolgen van klimaatverandering en daarom niet zinvol zijn (r.o. 5.6).
De beleidsvrijheid van gemeentes bij het nemen van besluiten die zij van belang achten voor inwoners dient ruim te worden uitgelegd, aldus de voorzieningenrechter (r.o. 5.3). Alleen als het reclameverbod onmiskenbaar onverbindend is, bijvoorbeeld wegens strijd met hogere regelgeving, kan de rechter de wettelijke regeling in kort geding buiten toepassing verklaren (r.o. 5.4).
Dat is hier volgens de rechtbank niet het geval; de voorzieningenrechter wijst dan ook alle vorderingen van de ANVR en TUI af. Reclame-uitingen die zien op fossiele producten dienen volgens de rechter als handelsreclame te worden aangemerkt en vallen daarmee buiten het beschermingsbereik van de vrijheid van meningsuiting zoals vastgelegd in artikel 7 Grondwet (r.o. 5.8 – 5.10).
Ook het beroep van de organisaties op de strijdigheid van het reclameverbod met de vrijheid van meningsuiting zoals vastgelegd in artikel 10 EVRM en artikel 11 Handvest slaagt niet. De organisaties voeren aan dat de beperking die het reclameverbod de vrijheid van meningsuiting oplegt, niet noodzakelijk is in een democratische samenleving: de gemeente Den Haag zou onder meer niet (voldoende) hebben onderbouwd dat het reclameverbod het geschikte middel is om de beoogde doelen te behalen (r.o. 5.16).
De rechtbank volgt deze argumentatie niet en oordeelt dat de gemeente voldoende heeft onderbouwd dat het reclameverbod voldoet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De gemeente heeft voldoende concreet gemaakt dat het lokale reclameverbod kan bijdragen aan een legitiem doel, namelijk de bescherming van de algemene gezondheid en de strijd tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering. Ook heeft de gemeente voldoende toegelicht dat het reclameverbod proportioneel is, nu het verbod alleen ziet op reclame voor fossiele producten en diensten. Het staat reisorganisaties vrij om in de openbare ruimte andersoortige reclame te blijven maken en via andere kanalen, zoals tv of internet, kan nog steeds fossiele reclame worden gemaakt, aldus de rechtbank (r.o. 5.17).
De voorzieningenrechter overweegt over de belangenafweging nog het volgende:
“[…] Tegenover de algemene gezondheidsbelangen van de burgers staat immers slechts het commerciële belang van de adverteerders. Dat die belangenafweging in het nadeel van de adverteerders is uitgepakt mag dan ook geen verbazing wekken. […]” (r.o. 5.26)
Dat de bijdrage van het lokale reclameverbod landelijk en wereldwijd bezien ‘gering is’ doet daar niet aan af:
“Terecht heeft de gemeente erop gewezen dat alle beetjes helpen en dat de gemeente haar steentje wil bijdragen.” (r.o. 5.7)
Blik vooruit
De ANVR liet in een reactie aan de NOS weten hoger beroep te overwegen. We zullen de ontwikkelingen naar aanleiding van deze uitspraak met belangstelling blijven volgen.

