Deze blogpost bespreekt het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) inzake de overdracht van naburige rechten van uitvoerende kunstenaars aan hun werkgever. Het arrest gaat nader in op de vraag of een wettelijke overdracht van naburige rechten zonder toestemming van de uitvoerende kunstenaar verenigbaar is met het Unierecht.
In het arrest beantwoordt het HvJEU prejudiciële vragen van de Belgische rechter. De musici, afgekort FL, AL, en ON, vorderde bij de Belgische rechter een verzoek tot nietigverklaring van een koninklijk besluit over het Nationaal Orkest van België (NOB).
Situatie in België
Het Koninklijk Besluit houdende naburige rechten van het artistiek personeel van het Nationaal Orkest van België bepaalt dat de goede werking van het NOB vereist dat alle rechten verbonden aan de uitvoering en exploitatie van prestaties van uitvoerende kunstenaars van het NOB aan NOB worden overgedragen. Bovendien bepaalt het Belgisch Wetboek van economisch recht dat de vermogensrechten die voortvloeien uit naburige rechten kunnen worden overgedragen aan de werkgever voor zover uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien en voor zover de prestatie binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst of het statuut valt, voor zover een uitvoerende kunstenaar een prestatie levert ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een statuut.
Vóór de vaststelling van het Koninklijk Besluit werd per uitvoerende kunstenaars onderhandeld over een vergoeding. Sinds 2016 wordt er in het Basisoverlegcomité door het NOB en de vakbondsvertegenwoordigers onderhandeld om tot een overeenkomst over de vergoeding voor de naburige rechten van de musici te komen. Die onderhandelingen waren dusver zonder resultaat, waarna het Koninklijk Besluit was vastgesteld, zo blijkt uit de verwijzingsbeslissing.
Het HvJEU beantwoordt in het arrest de vraag of de Richtlijn 2019/790 (DSM-richtlijn) en de Richtlijn 2006/115 (Verhuurrichtlijn) zich verzetten tegen een regeling waarbij de naburige rechten van onder een administratiefrechtelijk statuut aangeworven uitvoerende kunstenaars zonder hun voorafgaande toestemming bij regelgeving worden overgedragen om door die werkgever te worden geëxploiteerd.
Het HvJEU stelt eerst vast dat de werkingssfeer van beide richtlijnen alsook de Richtlijn 2001/29 (InfoSoc-richtlijn) geen beperking kent voor onder een administratiefrechtelijk statuut aangeworven uitvoerende kunstenaars. Vervolgens noemt het HvJEU dat de begrippen die worden gehanteerd in de richtlijnen moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de begrippen uit de WIPO Performances and Phonograms Treaty (WPPT). Het HvJEU oordeelt dat het begrip uitvoerende kunstenaar in de WPPT geen uitsluiting kent voor onder een administratiefrechtelijk statuut aangeworven uitvoerende kunstenaars. De musici van het NOB vallen dus onder de DSM-richtlijn, de Verhuurrichtlijn en de InfoSoc-richtlijn.
Vervolgens erkent het HvJEU dat uitvoerende kunstenaars een ruime bescherming genieten voor zowel het genot van de naburige rechten, als de uitoefening daarvan. Het naburig recht van uitvoerende kunstenaar is preventief van aard, aangezien er voorafgaande toestemming is vereist van de rechthebbende voor het gebruik van diens uitvoeringen. Voorts bevatten de richtlijnen een limitatieve lijst met beperkingen. Er is geen beperking waarbij zonder voorafgaande toestemming, alle rechten in verband met de uitvoering en exploitatie van de prestaties van uitvoerende kunstenaars worden overgedragen. De artikelen die de beperkingen bevatten staan geen algemene verplichte overdracht van alle naburige rechten van een categorie uitvoerende kunstenaars toe.
De conclusie van het HvJEU is dan ook dat bij een gebrek aan toestemming van de uitvoerende kunstenaars, de DSM richtlijn en de Verhuurrichtlijn zich verzetten tegen een overdracht zoals opgenomen in het koninklijk besluit.
Gevolgen voor de praktijk
Het arrest maakt duidelijk dat lidstaten niet bij wet een algemene overdracht van naburige rechten kunnen voorschrijven voor een specifieke groep uitvoerende kunstenaars, zonder hun instemming. Dit betekent dat uitvoerende kunstenaars zelf moeten kunnen beslissen over de exploitatie van hun uitvoeringen. Omdat het over Unierecht gaat, heeft dit arrest ook consequenties voor Nederlandse uitvoerende kunstenaars. Daarnaast is er tussen academici discussie ontstaan over de vraag of dit arrest ook gevolgen heeft voor de regels over fictief makerschap in de Nederlandse Auteurswet, maar de precieze impact van het arrest op deze regels zal nog moeten blijken.

